RASSTANDAARD

FCI

 

RASSTANDAARD

FCI nr. 54 van 6 april 2000

Vertaling: Reni Stradmann-Bolwijn

Oorsprong: Hongarije

Datum van publicatie rasstandaard: 6 april 2000

 

GEBRUIK

 
Waak en verdedigingshond van huis, eigendom en andere waardevolle dingen, als wel voor mensen. Hij is ook gebruikt als jachthond en als speurhond.

 

CLASSIFICATIE FCI:

Groep I: Herdershonden en veedrijvers 

             (uitgezonderd Zwitserse herdershonden)  

Sectie 1: Herdershonden

              Zonder werkproef

 

KORT HISTORISCH OVERZICHT

De Kuvasz is een oud gevestigde Hongaarse herdershond. Zijn voorouders zijn naar het Karpatische stroomgebied gekomen tijdens de verovering van de Magyaren. Deze honden waren nodig om hun vee te bewaken en verdedigen tegen roofdieren en dieven. Vanwege het jachtinstinct was het de voorkeur als jachthond van koning Matthias Corvinius. Sinds het afnemen van de veestapel wordt hij steeds minder gebruikt voor zijn eigenlijke werk en heeft zich gevestigd in dorpen en later zelfs in steden.

 

ALGEMEEN VOORKOMEN

De honden van dit ras zijn sterk en groot en dragen een dichte golvende, witte vacht. Hun innemende uiterlijk straalt adel en kracht uit. De individuele lichaamsonderdelen passen in harmonie bij elkaar, de ledematen zijn nog te kort noch te lang. De bone is sterk maar niet grof. De sterke spieren zijn droog, de gewrichten zijn duidelijk afgetekend. Van de zijkant gezien vormt het lichaam een liggende rechthoek, bijna vierkant. Goed bespierd en sterk gebouwd straalt hij energiek temperament en veel beweeglijkheid uit. Zijn voorkomen belichaamd een onvermoeibaar werkvermogen.

 

BELANGRIJKE PROPORTIES

De lichaamslengte is iets meer als de schofthoogte. Het dieptepunt van de borst zit bijna op de hoogte van de halve schofthoogte. De neus is ietwat korter als de helft van de hoofdlengte.

 

GEDRAG EN TEMPERAMENT

De Kuvasz is moedig en onverschrokken. Hij verdedigt de mensen en hun eigendommen die hem zijn toevertrouwd, zelfs met zijn leven. Hij is zelfverzekerd en mag zelfs agressief worden als hij mishandeld wordt. Hij is eerlijk, betrouwbaar en  houdt van zijn baas en omgeving. Zijn onderhoud is makkelijk en hij kan tegen zware weersomstandigheden. Hij waardeert iedere zorg en genegenheid die hem gegeven wordt.

 

HOOFD: Het Kuvaszhoofd is typisch wigvormig, in harmonie met het lichaam, innemend, adellijk en laat veel kracht zien. De Kuvasz onderscheid zich van andere rassen voornamelijk door de vorm van het hoofd. Het hoofd is karakteristiek, schraal en droog. Bij reuen is het hoofd wat massiever als bij teven.

SCHEDEL: Breed, voorhoofd ligt (voor) uitstekend. In het midden van het voorhoofd is een duidelijke groef.

STOP: Amper tot uitdrukking komend.

AANGEZICHTS SCHEDEL: Breed, lang en goed bespierd.

NEUS: De zwarte neusspiegel is stomp.

SNUIT: De neusrug is recht. De snuit loopt geleidelijk tapt toe maar is nooit spits.

LIPPEN: Zwart goed aansluitend. De mondhoek heeft gekartelde randen.

TANDEN: Goed ontwikkeld, sterk, regelmatig en compleet. Schaargebit volgens tandformule.

OGEN: Iets schuinstaand, amandelvormig donkerbruin. De oogleden zijn zwart en goed aansluitend om de oogbol.

OREN: Op middelmatige hoogte aangezet. Een derde van de oren is afstaand vanaf de oor aanzet, daarna hangend dicht tegen het hoofd aanliggend. De oorflap is V-vormig met afgeronde punt. Als de hond alert is zijn de oren wat hoger gedragen. Nooit staand of gedraaid.

NEK: Liever wat kort als van gemiddelde lengte en goed bespierd. De nek vormt een hoek van 25 tot 30 graden gezien t.o.v. de horizontaal. De overgang van hals naar lichaam is kort. De keelhuid is goed aangesloten, geen wammen. Reuen hebben een duidelijke kraag en manen.

LICHAAM: Van de zijkant gezien vormt het lichaam een weinig van het vierkant afwijkende liggende rechthoek.

SCHOUDER: Lang duidelijk boven de rug uitstekend.

RUG: Van gemiddelde lengte recht, breed goed bespierd en strak.

LENDENEN: Kort in een lijn met de rug en een rechte voorzetting van de rug.

KRUIS: Licht hellend, breed en goed bespierd. De dichte vacht op het kruis geeft de indruk van overbouwd zijn.

VOORBORST: Vanwege de goed ontwikkelde bespiering is de voorborst rond, de punt van het borstbeen is iets vooruit stekend.

BORST: Diep lang en ligt gewelfd.

ONDERBELIJNING EN BUIK: In verloop van de ribkorf naar achter toe iets opgetrokken.

STAART: Laag aangezet in het verlengde van de licht aflopende croupe. Recht naar beneden met de punt licht naar boven gebogen, maar niet in een haak. De staartlengte reikt tot het spronggewricht. Als de hond alert of geprikkeld is mag de staart ten hoogste op het niveau van de bovenbelijning gedragen worden.

 

LEDEMATEN

VOORHAND: De voorbenen ondersteunen het lichaam, zijn kaarsrecht tot de handwortel gewrichten. Ze zijn parallel en staan matig wijd gesteld. Van voren bekeken is de correcte stand indien die vanuit het boeggewricht getrokken verticale lijn met de as van de voorpoot samen valt en de poten tussen de 3e en 4e teen raakt. Van de zijkant is de juiste stand als er een rechte lijn vanuit het ellebooggewricht richting grond tot aan de handwortelbeentjes door de middellijn van de benen loopt.

SCHOUDER: Schouderblad lang en schuin staand. Goed bespierd. Stevig tegen de ribkorf geplaatst maar wel beweeglijk.

OPPERARM: Van gemiddelde lengte goed bespierd. De hoek tussen schouder en opperarm is 100 tot 110 graden.

ELLEBOGEN: Droog goed aanliggend, niet in -of uitgedraaid. Boven en onderarm vormen een hoek van 120 tot 130 graden.

ONDERARM: Relatief lang, recht compact met droge spieren, met sterke pezen tot aan het handwortelgewricht.

POLS: (Handwortelgewricht) goed ontwikkeld, stevig met sterke pezen.

MIDDENVOET: In verhouding kort, droog ligt schuin. Hoek tot verticaal 10 tot 15 graden.

VOETEN: Rond of ovaal, stevig. Tenen zijn kort en sterk gebogen zodat het middelste deel de grond niet raakt. Elastisch, goed samengetrokken. De voetzolen zijn elastisch, zwart. De nagels zijn hard sterk, zwart of leigrijs van kleur.

ACHTERHAND: De positie van de achterhand van de zijkant gezien is correct als het kniegewricht in verticale lijn onder de heupbeenknobbels en de voet onder het heupgewricht staat. Een rechte lijn loopt van de zitbeenknobbel langs de achterkant van de hak. Van achter bezien is de correcte stand als er een verticale lijn loopt van de zitbeenknobbels die door het been loopt, gelijk met de as van dat been die parallel aan beide zijden loopt tot aan de aan de grond met middelmatige tussenruimte.

BOVENBEEN (DIJBEEN): Met lange brede sterke spieren goed verbonden met het heupbeen. Heup en dijbeen vormen een hoek van 100 tot 110 graden.

KNIE: Volumineus. Hoeking tussen boven -en onderbeen 110 tot 120 graden.

ONDERBEEN: De lange sterke spieren lopen door met sterke pezen tot aan de hak. Van achter bezien verticaal en parallel aan beide zijden. Ook aan de lichaamsas.

HAKKEN: Ruim groot, droog, pezig, hoekig 130 tot 140 graden.

VOETWORTELBEENTJES: Lang en recht.

VOETEN: Ovaal als voorvoeten.

BEWEGING: Ruime langzame passen, in draf is de beweging lichtvoetig elastisch ruim levendig constant en onvermoeibaar. Ellebogen draaien niet naar binnen of naar buiten.

HUID: Goed gepigmenteerd leigrijs en strak.

VACHT: Van gemiddelde hardheid, golvend, iets stijf, niet de neiging hebbend om samen te plakken. Onder de grovere bovenvacht is een fijnere donzige ondervacht. Het hoofd, oren en voeten zijn bedekt met kort (1-2 cm) zacht, glad haar. De voor -en zijkanten van de voorbenen en de achterbenen vanaf de knie zijn ook bedekt met gelijkmatig (1-2 cm) recht haar. Er is bevedering (5-8 cm) lang de achterzijde van de benen en op de achterbenen reikt het tot aan de hakken. De nek heeft een kraag die bestaat uit manen die reiken tot aan de borst. Dit is duidelijk te zien bij reuen. Op het lichaam, bovenbenen en opperarm is de vacht van gemiddelde lengte (4-12 cm) lang rijkelijk golvend, kruinen, wervels en kwasten vormend. De staart over de hele lengte bedekt met dicht golvend haar dat een lengte kan hebben van (10-15 cm) aan de punt.

KLEUR: Wit, ivoorkleur is toegestaan. Neusspiegel, oogranden en lipranden zijn zwart. Voetzolen zijn zwart of leigrijs. Een donkere kleur van het verhemelte is gewenst, maar roze vlekken zijn toegestaan.

 

  MAAT GEWICHT
Reu: 71 - 76 cm 48 - 62 kg
Teef: 66 -70 cm 37 - 50 kg

 

FOUTEN:

 
Ieder afwijking van deze standaard moet gezien worden als fout, de beoordeling van de fout moet in verhouding staan met de mate van de afwijking.
 

 

DISKWALIFICERENDE FOUTEN:

* Geprononceerde stop

* Ontbreken van pigment op neus, lippen en oogranden

* Ontbreken van een of meerdere tanden van incisivie, hoektanden, premolaren 2-4, molaren 1-2. Meer dan 2P 1 ontbreken. De M3 wordt niet bekeken.

* Ondervoorbijt of bovenoverbijt, kruisgebit, opening tussen onder en boven snijtanden van meer dan 2 mm.

* Entropion, ectropion.

* Staande oren.

* Staart in rust boven de ruglijn gedragen of gedraaid naar achteren.

* Vacht die neigt naar ruig, krullerig haar, of niet golvend respectievelijk draadharige vacht.

* Benen bedekt met lang haar.

* Elke afwijking van de toegestane kleur.

 

NB

Reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels hebben die volledig in de balzak zijn ingedaald.